Kader Omgevingswet
De Omgevingswet bevat alle regels voor de fysieke leefomgeving. Dit gaat over bouwen, slopen, grondwerk, water, milieu en natuurlijk ook natuur. De wet zorgt ervoor dat activiteiten geen onnodige schade veroorzaken aan dieren, planten en hun leefgebieden. Een belangrijk onderdeel hiervan is het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal staat precies welke werkzaamheden gevolgen kunnen hebben voor natuur en welke regels dan gelden.
Soort- en gebiedsbescherming
In Nederland zijn veel planten- en diersoorten beschermd. Een deel valt onder Europese richtlijnen zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze bescherming is opgenomen in de Omgevingswet en verder uitgewerkt in afdeling 11.2 van het Bal. Andere soorten zijn nationaal beschermd en staan in Bijlage IX van het Bal. Daarnaast bestaan er beschermde natuurgebieden en kunnen provincies extra regels vastleggen in hun omgevingsverordening.
Wanneer gelden de regels?
Werkzaamheden zoals bouwen, slopen, renoveren, isoleren, kappen of graven kunnen gevolgen hebben voor beschermde dier- en plantsoorten. Wanneer hierbij mogelijk verbodsbepalingen uit paragraaf 11.2.1 van het Bal worden overtreden, is sprake van een flora- en fauna-activiteit onder de Omgevingswet.
- Voorafgaand aan de werkzaamheden dient te worden beoordeeld of beschermde soorten of functies (nesten, verblijfplaatsen, voortplantingslocaties) aanwezig of te verwachten zijn binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden.
- De specifieke zorgplicht uit artikel 11.27 Bal geldt te allen tijde: nadelige gevolgen voor in het wild levende dieren en planten moeten zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt.
- Verbodsbepalingen uit het Bal mogen niet worden overtreden — waaronder het opzettelijk doden, verwonden of verstoren van beschermde soorten en het beschadigen van nesten, rust- of voortplantingsplaatsen.
- Wanneer negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan aanvullend ecologisch onderzoek of een omgevingsvergunning noodzakelijk zijn.
Vergunningen en verbodsbepalingen
Wanneer werkzaamheden leiden tot overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soorten, kan een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk zijn. Welke regels van toepassing zijn, hangt af van het beschermingsregime van de betreffende soortgroep:
- Vogelrichtlijnsoorten — verbodsbepalingen in artikel 11.37 Bal, o.a. het opzettelijk verstoren of beschadigen van nesten.
- Habitatrichtlijnsoorten (zoals vleermuizen) — verbodsbepalingen in artikel 11.46 Bal e.v., waaronder bescherming van verblijfplaatsen.
- Nationaal beschermde soorten (Bijlage IX Bal) — aparte verbodsbepalingen in artikel 11.54 Bal.
Rol van provincie en gemeente
Provincies en gemeenten mogen aanvullende regels stellen. Zij bepalen bijvoorbeeld welke vrijstellingen gelden en welke lokale soorten extra bescherming krijgen. Hierdoor kunnen verplichtingen per provincie verschillen.
Waarom een ecologische quickscan?
Een ecologische quickscan is een eerste onderzoek om te bepalen of een project gevolgen kan hebben voor beschermde soorten of leefgebieden. Op basis van de quickscan wordt duidelijk of er een vergunning nodig is of welke maatregelen genomen moeten worden om schade te voorkomen. De quickscan beschermt zo de natuur én voorkomt problemen in het vergunningstraject.
Gebieds- en soortbescherming
Binnen de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortbescherming.
Gebiedsbescherming (Natura 2000 en NNN)
Natura 2000-gebieden zijn Europees beschermde natuurgebieden. Activiteiten in of nabij deze gebieden mogen de instandhoudingsdoelen niet verslechteren. Bij plannen die mogelijk effect hebben op deze natuurwaarden kan een passende beoordeling of aanvullende toetsing nodig zijn.
Daarnaast is er het Natuurnetwerk Nederland (NNN), een netwerk van belangrijke natuurgebieden op provinciaal niveau. In het NNN geldt het principe "nee, tenzij": nieuwe ingrepen zijn alleen toegestaan als verlies aan natuur wordt voorkomen of volledig wordt gecompenseerd.
Soortbescherming (beschermde flora en fauna)
De bescherming van dieren en planten is geregeld in afdeling 11.2 van het Bal. Voor alle beschermde soorten geldt dat:
- Vaste rust- en voortplantingsplaatsen niet mogen worden beschadigd of vernietigd,
- Opzettelijke verstoring niet is toegestaan,
- Dieren niet mogen worden gedood of gevangen,
- Groeiplaatsen van beschermde planten niet mogen worden aangetast,
- En dat altijd de specifieke zorgplicht geldt.
Voor sommige werkzaamheden is daarom een vergunning noodzakelijk. Soms kan gewerkt worden via een erkende gedragscode, mits de benodigde maatregelen worden toegepast om schade te voorkomen.
Twijfel of uw project een quickscan nodig heeft?
Een korte vraag stellen kost niets.
